Werkgever die zwangere sollicitante niet aanneemt is schadeplichtig


Casus
Werkgever in dit verband is het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Het COA huurt een mevrouw in als uitzendkracht. Op enig moment solliciteert zij op een vacature als Casemanager. Aan het einde van het tweede sollicitatiegesprek meldt zij dat ze zwanger is. In een daarop volgend telefoongesprek (wat de sollicitante opneemt) meldt de leidinggevende dat hij het niet handig vindt in verband met inwerken, dat de sollicitante straks 4 maanden niet werkzaam is vanwege zwangerschapsverlof. Op enig moment zegt de sollicitante in het gesprek: “Ja ja nee ik snap nee maar ik zat heel even met het gevoel van goh als ik nu niet zwanger was geweest dan had ik gewoon kunnen beginnen.” Waarop de manager reageert: “Ja, ja maar ja weet je.”
Intern wordt ook een bericht doorgezonden waarin is gemeld: “Ze functioneerde onvoldoende en ik ben met haar gestopt”. De sollicitante dient een klacht in bij het College voor de rechten van de mens. Dit College oordeelt dat het COA een verboden onderscheid heeft gemaakt. De sollicitante wendt zich vervolgens tot de kantonrechter.

Het Oordeel
De kantonrechter Den Haag oordeelt op 24 januari 2019 dat het COA wel een schadevergoeding aan de sollicitante moet betalen. Uit de feiten, vooral het gevoerde telefoongesprek, blijkt dat geen arbeidsovereenkomst is gesloten vanwege de zwangerschap. Dat is verboden op grond van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB). Kennelijk is de sollicitante na het tweede sollicitatiegesprek ook gefeliciteerd met haar zwangerschap, waaraan werd toegevoegd: “maar dat maakt het wel anders”. De kantonrechter gaat er van uit dat de geschiktheid op dat moment geen issue meer was. Ook weegt de kantonrechter mee dat aan de sollicitante op een later moment wel een baan is aangeboden.[ Dit is wel gebeurd in het kader van een schikking, maar dat zou niet gebeurd zijn als het COA ervan overtuigd was dat de sollicitante niet geschikt was.
De loonvordering over twee jaar wordt gematigd tot één jaar, omdat niet zeker is dat het dienstverband op dat moment (met teruglopende instroom van asielzoekers) ook twee jaar zou hebben geduurd. Immateriële schade wordt afgewezen. De kantonrechter wil wel aannemen dat de werknemer sterk psychisch onbehagen en een gekwetst gevoel heeft ervaren. Dit valt nog niet in het criterium ‘aantasting in de persoon’ van 6:106 BW.

Advies Arbeidsrecht: gelijke behandeling – sollicitatie – schadevergoeding
Vindplaats: ECLI:NL:RBDHA:2019:584